Wat als het God is?

Disclaimer – Wat als het God is?

Dit is mijn verhaal. Geen eindpunt, geen conclusie, geen poging om gelijk te krijgen. Dit zijn mijn ervaringen, mijn vragen, mijn littekens en mijn momenten van hoop. Ik schrijf dit als Michaela Spaanstra. Rauw waar het rauw is, eerlijk waar het schuurt. Neem eruit wat je herkent. Laat liggen wat niet bij je past. En wie de schoen past…

3 juni 2026,

Mijn telefoon ligt nog warm naast me.

Ik heb net gelezen. Weer een paar passages. Gewoon via een app, ja. Praktisch. Altijd binnen handbereik. Er zijn mensen die zeggen dat dat niet hoort, dat een echte Bijbel van papier moet zijn, gewicht moet hebben, bladzijden die ritselen als je ze omslaat. Misschien hebben ze gelijk. Misschien ook niet. Wat ik wél weet, is dat de woorden blijven hangen. En dat ik er niet omheen kan. Ik moet dit opschrijven.

Er is iets dat al een tijd tussen Dennis en mij in hangt. Of misschien beter gezegd: om ons heen. Iets wat we niet goed kunnen vastpakken, maar dat zich wel telkens laat voelen.
Energie.
Maar wat voor energie?
Iets menselijks, iets ongrijpbaars dat we zelf creëren? Of… God?

Die vraag laat me niet met rust. Hij tikt. Zacht soms. Hard op andere momenten. Alsof er ergens op een deur wordt geklopt die ik nog niet helemaal durf open te doen.

Oktober 2010

Pijn heeft geen gezicht. Tot je er zelf middenin zit.
Maandenlang werd mijn wereld teruggebracht tot één ding: overleven. Niet leven. Overleven. Mijn lichaam was geen thuis meer, maar een slagveld. Ik kon niet eten. Niet slapen. Niet bewegen zonder dat het door merg en been ging. Naar buiten gaan was geen optie meer. Zelfs een simpele serie kijken was te veel gevraagd. Alles wat normaal was, viel weg. Alsof iemand langzaam het licht dimde tot er alleen nog een flakkerende gloed overbleef. De enige plek waar ik soms, heel soms, een paar minuten rust vond, was in een bloedheet bad. Liggend op mijn linkerzij. Mijn lichaam, half verdoofd door de hitte. Daar kon ik mijn ogen sluiten. Even wegzakken. Geen echte slaap, meer een soort vlucht. Tien minuten als ik geluk had.

De pijn zat in mijn linkerbovenbeen. Maar ‘zat’ is een te klein woord. Het vrat zich erin vast. Alsof iemand een bot mes in mijn been had geplant en het er langzaam, schokkerig doorheen trok. Elke minuut. Dag en nacht. Geen pauze. Geen genade. Ik slikte pijnstilling. Antidepressiva. Alles wat maar enigszins verlichting kon geven. Niets werkte.

Op een dag keek ik Dennis aan en zei dat als dit mijn leven zou blijven, het voor mij niet meer hoefde. Ik zei het rustig. Te rustig misschien. Alsof ik het al had geaccepteerd.

Euthanasie.
Dat was waar ik was beland.

We waren al bij meerdere artsen geweest. Niemand vond iets. Niemand zag iets. We probeerden alternatieve behandelingen. Handoplegging. Osteopathie. Floating. Dry needling. Alles wat je probeert als hoop het enige is dat je nog overeind houdt.
Tot een vriend langskwam. Iemand uit de zorg. Hij keek naar me, luisterde, en zei vrijwel direct: dit is zenuwpijn. Dit komt niet uit je been. Dit komt uit je rug. Jij moet een MRI van je rug laten maken.

Vijf minuten. Dat was alles wat hij nodig had.
Wat anderen maanden niet zagen, lag ineens op tafel.

De MRI werd met spoed ingepland. Een zaterdagochtend. Ik moest alles uit mezelf trekken om daar te komen. In dat apparaat liggen, een uur lang, zonder te bewegen terwijl mijn lichaam schreeuwde, was een beproeving die ik niemand toewens. Toen het klaar was, veranderde de sfeer. Er was “iets” gezien. Ik mocht niet meer opstaan. Niet bewegen. Als een boomstam werd ik overgerold naar een ziekenhuisbed. Vanaf dat moment begon mijn gedwongen stilstand. Later zou blijken dat mijn rug letterlijk op instorten stond.

Diezelfde dag werd een arts opgetrommeld uit zijn vrije weekend. Hij kwam binnen met een gezicht dat je eigenlijk al genoeg vertelt voordat er één woord is gesproken.

Een grote zwarte vlek op de MRI. Kwaadaardig, hoogstwaarschijnlijk. Kanker.
En niet klein. Niet beginnend. Maar zo groot dat ik rekening moest houden met het ergste. Dat mijn tijd op was. Dat ik zou sterven.
Zomaar. Op een zaterdag.

Maandag volgde het biopt. En daarna kwam het wachten. Tien dagen in totaal.
Tien dagen waarin alles stil lijkt te staan, behalve je gedachten. Die gaan alle kanten op. Schieten. Botsen. Breken. Ik heb stukken daarvan verdrongen. Mijn hoofd heeft daar zelf een soort slot op gezet, denk ik.

Wat ik nog wel weet, is dit:
Vlak voor de MRI had ik nog gezegd dat ik niet meer wilde leven. Maar nu… nu wilde ik niets liever dan blijven. Alles in mij draaide om. Ik keek Dennis aan en we maakten een afspraak zonder hem hardop zo te noemen. Wat er ook gebeurt, we gaan hier samen doorheen. Hoe dan ook.

We hadden hulp nodig. Niet alleen van artsen. Van mensen.

We begonnen te schrijven op Hyves. Dagelijks. Dennis nam daarin vaak het voortouw, omdat ik daar de kracht niet voor had. We deelden wat er gebeurde. En we vroegen iets wat je bijna niet durft te vragen: denk aan ons. Stuur ons energie. Brand een kaarsje.

En mensen deden dat. Massaal.
Berichten stroomden binnen. Kaarsen brandden dag en nacht. Er hing iets in de lucht in dat kleine ziekenhuiskamertje. Iets wat moeilijk uit te leggen is, maar onmogelijk te negeren.

Warmte. Aandacht. Liefde. Energie.

Toen de uitslag kwam, zaten we daar weer. Artsen tegenover ons. Diezelfde blikken. Die spanning die bijna tastbaar is.

Goedaardig.

Dat woord viel en de wereld sprong open. We omhelsden elkaar. Of eigenlijk: Dennis mij. Want ik lag nog steeds vast in mijn eigen lichaam.

Maar er kwam een tweede zin.

Goedaardig, maar op een kwaadaardige plek.
Niet simpel te verwijderen. Complex. Risicovol. Academisch ziekenhuis. Specialisten. Overleg met Amerika.
Het werd geen einde. Het werd een nieuw begin. Van maanden ziekenhuis. Van operaties. Van een lichaam dat nooit meer hetzelfde zou zijn.

Maar ik leefde.

En ergens, diep onder alles, bleef één vraag liggen. Was het toeval?
De eerste inschatting: 80 procent kans dat ik zou sterven. Na alles: 80 procent kans dat ik zou leven.

Wat was er gebeurd in die tien dagen?

Dennis en ik konden er niet omheen. We geloofden dat die energie iets had gedaan. Dat mensen, met hun gedachten, hun gebeden, hun aandacht, iets hadden verschoven.

2020, coronaperiode

Jaren later voelde ik het weer.
Diezelfde soort energie. Anders misschien, maar herkenbaar.

Dennis en ik waren begonnen met Police for Freedom. We zagen wat er gebeurde in Nederland. Lockdowns. QR-codes. Mensen die uit elkaar werden getrokken. Angst die als een soort mist overal tussen kroop. We konden niet stil blijven.

We organiseerden marsen. De mars van de menselijke verbinding. Alleen al die naam voelde als een antwoord op wat er misging. Maar niets ging vanzelf. We probeerden het netjes, via de officiële weg. Dat werd tegengewerkt. Dus vonden we een andere route. Puzzeltochten. Clues. Tijdstippen. Een klein team dat alles voorbereidde. En toen, vlak voor de eerste mars, gebeurde het weer. De nacht ervoor. De ochtend zelf.

Het voelde alsof er iets door ons huis stroomde. Door de muren heen. Niet zichtbaar, maar voelbaar. We voelden ons gedragen. Alsof we niet alleen waren in wat we deden.
Alsof er iets zei: GA.

Vanaf die tijd brandt er in ons huis een touw met daarin kleine lampjes verweven. Altijd aan. Op twee AA-batterijen. Al zes jaar. Zonder ze ooit te vervangen.

Klein detail. Groot vraagteken.

Wat als het God is?

Vanaf dat moment kwamen er steeds meer christelijke mensen op ons pad. Mensen die ons vroegen of wij zelf ook geloofden. Dat deden we toen nog niet. Maar iets was al in beweging gezet. Gesprekken volgden. Veel gesprekken. Dennis kreeg een Bijbel. We begonnen te lezen. Hij fysiek. Ik digitaal. Ieder op onze eigen manier. En langzaam schoof er iets in mij.

Niet als een plotselinge bekering. Geen blikseminslag. Meer als een deur die op een kier wordt gezet.

September 2025

Turning Point Nederland.

Niet gepland. Niet uitgestippeld. Het voelde alsof het moest gebeuren. Alsof het door Dennis en mij heen wilde ontstaan. Na de moord op Charlie Kirk hielden we de ontwikkelingen in de gaten. Er kwam niets vanuit Nederland zelf. Maar in ons bleef het duwen.

Dus deden we het zelf. Mail. Website. Social media en de oproep. En wie kwamen er?
Vooral christenen.

We voerden gesprekken die me bijbleven. Die me raakten. Zoals die ene jongen op Zoom. Dennis stelde hem de vraag die niemand hardop durfde te stellen. Of hij het aandurfde om zichtbaar te zijn, gezien wat er net in Amerika was gebeurd. Zijn antwoord was kalm. Bijna sereen:

Dat hij het de grootste eer zou vinden als God hem om die reden bij zich zou roepen.

Ik voelde iets breken en iets groeien tegelijk. Maar laat me ook iets anders zeggen. Iets wat minder lekker leest. Iets wat schuurt. Want tussen al die mooie gesprekken en oprechte mensen, zit ook een andere laag. En die laag heeft me misschien nog wel het meest geraakt.

De schreeuwers.

Jongeren die met droge ogen zeggen dat ze christen zijn. Praktiserend christen zelfs. Die God in elke zin verwerken alsof het een stempel van echtheid is. Maar als je door hun woorden heen kijkt, zie je leegte. Of erger. Want laten we eerlijk zijn. Wat is dat ‘praktiserend christen’ waard als je liegt? Als je afspraken maakt en ze vervolgens gewoon laat vallen? Als je ja zegt, knikt, enthousiast meebeweegt en daarna spoorloos bent zodra het iets van je vraagt? Vrijwillig is niet vrijblijvend. Maar blijkbaar is dat voor sommigen een detail.

Ik heb jongeren gezien die met overtuiging spraken over geloof, over normen, over waarden. En vervolgens exact het tegenovergestelde deden. Niet een keer. Structureel.

Niet bellen terwijl dat wél was afgesproken. Niet leveren wat je hebt toegezegd. Niet eens de ballen hebben om eerlijk te zeggen: ik red het niet. Maar ondertussen wel… praten. Praten over God. Praten over roeping. Praten over bouwen aan “Zijn koninkrijk”.

Alsof dat een excuus is om je verantwoordelijkheid hier gewoon te laten liggen. En het wordt nog schrijnender.

Mensen in een organisatie welke draait om open debat en dialoog, maar zodra het spannend wordt, geen gesprek aangaan. Nee. Dan gaan ze achter je rug om. Dan wordt er gepraat met iedereen behalve met degene waar het over gaat. Dan zie je geen volwassenheid, maar gedrag dat je eerder op een schoolplein verwacht.

Stampvoeten. Kliekvorming. Gekonkel.

En dan die ene opmerking, die ik via via onder ogen kreeg: “Twee van de drie directieleden zijn niet eens praktiserend christen.” Laat die even landen.

Wat is de bedoeling van zo’n zin? Wat zeg je daar nou écht mee? Dat je beter bent? Dat je hoger staat? Dat jouw label meer waard is dan iemands gedrag? Ik zal je eerlijk zeggen wat er door mij heen ging.

Als dit is wat ‘praktiserend christen’ betekent… dan hoeft het voor mij niet.

Want wat heb ik aan mensen die Gods naam op hun lippen dragen, maar niet eens de basis van eerlijkheid en verantwoordelijkheid kunnen opbrengen? Wat zegt het over geloof als het zo makkelijk wordt gebruikt als een soort morele badge, terwijl het gedrag daar haaks op staat? En misschien nog wel de belangrijkste vraag:

Wie leeft hier nou eigenlijk christelijker? Degene die het hardst roept? Of degene die het stil laat zien? Ik ben daar nog niet uit.

Maar ik weet wel dat dit soort ervaringen me niet dichterbij hebben gebracht. Integendeel. Ze hebben me teruggeduwd. Twijfel in. Afstand in. Omdat als dit het uithangbord is, ik me oprecht afvraag of ik daar onderdeel van wil zijn.

Gelukkig is dat niet het hele verhaal.

Er zijn ook andere christelijke mensen. Mensen die niet schreeuwen, maar leven. Die laten zien wat liefde betekent zonder het van de daken te roepen. Die ruimte geven aan vragen. Aan twijfel. Aan groei. Van hen leer ik misschien wel het meest.


Ik weet nog steeds niet waar dit eindigt. Ik balanceer ergens tussen twee werelden. Tussen wat ik heb ervaren en wat ik nog niet begrijp. Tussen energie en God. Tussen aantrekking en afkeer. God voelt voor mij nog niet als een vaststaand feit. Maar wel steeds vaker als een richting. Als iets dat ruikt naar liefde, ook al snap ik het nog niet volledig.

En tegelijk blijven de littekens. Van pijn. Van teleurstelling. Van mensen die het tegenovergestelde laten zien van waar ze voor zeggen te staan.

Misschien is dit mijn plek, voor nu. Niet overtuigd. Niet afgesloten.

Maar open genoeg om de deur niet dicht te gooien. Want ergens, diep vanbinnen, blijft die vraag fluisteren.

Wat als het God is?

Auteur: Michaela Spaanstra

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *