Kunstmatig

Achter-Drempt, 27 juli, 9:54

Marlies ziet het al helemaal zitten. De zomer is begonnen, vanmiddag nog een laatste dagje in de winkel staan, en dan is het tijd om uit te pakken. Nou, ja, ín te pakken eigenlijk! De tickets zijn geboekt. De groepsapp draait al overuren. Niets kan de pret nog drukken. De Franse rivièra weet niet wat ze overkomt, als de deze vijf jonge dames eenmaal de trein uit zullen stappen in Marseille. Ze zet haar favoriete spotifyplaylist aan, draait de knop om, trekt haar nachthemd uit en stapt met volle tred onder de douche. Ze draait de thermostaat lekker hoog. Niet té hoog, de benen moeten ten slotte bruin worden op het strand. Ze moet er niet aan denken om daar al als een kreeft aan te komen. Het water stort naar beneden en ze veert nog verder op. Alle slaap wordt weggespoeld. De veel te warme nacht is vergeten. Een nieuw nummer is begonnen en galmt tussen de betegelde muren heen en weer. Het watergekletter voelt het ritme aan. Ze is heerlijk in haar element. Er is geen haast, de winkel opent pas om elf uur.

Gebons op de deur. Ze hoort haar moeder gillen. Of ze even wat zachter wil zingen. Ze tettert de hele buurt bij elkaar. Was ik aan het zingen dan? Nou ja zeg, denkt Marlies, wat een party-pooper. Ach, ik ben toch wel klaar. De playlist gaat uit, fris zomerjurkje aan en klaar voor de dag!

Vung Tau, Vietnam, 27 juli 14:54 (zelfde tijd)

De lucht wordt al snel donkerder, en de eerste druppels beginnen te vallen. Dat kan niet veel goeds betekenen hier in de tropen. Iedere dag is het raak. Na de lunch kan je nog een uurtje wat doen, maar vanaf een uur of drie is het geen doen meer hier in het regenseizoen. Ik pak mijn scanapparatuur in, tel alle gereedschappen en hulpstukken eens goed na. Mijn notitieblokje stop ik in een droog vakje, want die is cruciaal om dadelijk gehakt te kunnen maken van de metingen. Dit platform wordt eind van de week verscheept naar een windmolenpark in Polen; dan moet toch echt alle data gecontroleerd en gerapporteerd zijn.

Tegen de tijd dat ik in mijn kantoor zit ben ik volledig doorweekt en de bagage is er niet veel beter aan toe. Eerst alles weer netjes uitpakken en drogen, want dit soort precieze apparaten nat opbergen is funest voor je spullen. Alles helemaal uitgestald en afgenomen, morgen weer een dag. Ik pak mijn telefoon en open mijn notitieblokje. Geen meetwaarden ditmaal. Gewoon wat flarden tekst over wat er de afgelopen dagen door mijn hoofd spookte. 

Het is niet leuk om twee weken van huis te zijn, maar zo’n vlucht van 12 uur zet je ironisch gezien altijd even stil. Dan pak ik de Bijbel-app op mijn telefoon erbij, kies ik een willekeurig stuk uit, en vier verwijzingen later pak ik mijn notitieblokje weer en begin ik te schrijven. Deze vlucht was bijzonder productief. Drie meditaties geschreven en een beginnetje gemaakt aan een artikel voor de Journal. Andere mensen mogen dat misschien bijgeloof vinden, maar ik ervaar echt hoe de Heere mij stilzet op zo’n moment, letterlijk, in zo’n vliegtuigstoel, met 900 kilometer per uur. Raoul, waar zit je allemaal met je hoofd? Denk je ook eens aan Mij? Het is een ontnuchterende en vaak beschamende ervaring.

Eenmaal aangekomen in het hotel heb ik rust. Kort, althans. Een appje in de community-app van Turning Point Nederland. Een poll van Rachel: “IVF is … -> Mooi dat het bestaat, iedere kinderwens kan in vervulling gaan, -> is het opofferen van mensenlevens, en moet afgeschaft worden, -> Geen mening, niet genoeg kennis over.”

Het prikkelt me, op een goede manier. Het eerlijke antwoord is die derde, en dat kan ik eigenlijk niet hebben. Ik pak mijn notitieboekje weer en begin te schrijven.

Zoetermeer, 27 juli 9:54

De wind is gedraaid, de wolken stuiven de duinen over en een deken van water bedekt het uitzicht op de woontorens en ministeriecomplexen van Den Haag. De vroege bezoekers van het winkelcentrum haasten zich naar de parkeergarages en de gelukkigen die nog een paraplu binnen handbereik hadden merken al gauw dat deze met de opkomende storm nutteloos is. De kleur verdwijnt langzaam uit de straten terwijl een grauwe waas de groeistad bedekt. De winkels, hoewel nog open, blijven stil. De straten worden verlaten en het geluid van de muziek die door de luidsprekers van de winkelstraat galmt klinkt dof en onwennig.

Op het plein staat een muziekpagode waar nog kleur en gezelligheid te vinden is. De grote trom en de sousafoon galmen diep door in de verlaten winkelstraat. De dirigent zwaait de laatste stoot ten einde, en kijkt nog even op zijn klokje. “Nog één keertje jongens, er zit daar nog een oudere heer. We brengen de sfeer er nog één keertje in. Pagina 6, vanaf het begin.” Hij forceert een glimlach en de orkestleden knikken met een gevoel dat deels meewarig, deels trots is. De mondstukken worden weer bevochtigd en de laatste bladzijden worden vastgezet met een stevige knijper.

De eerste noot klinkt over het plein en de eenzame oude man veert op. Zijn voeten tikken mee op de slag van de grote trom en hij vergeet even waarom hij hier in de regen aan het luisteren is. Bij het slotakkoord loopt hij op de pagode af, drukt de hand van de dirigent met een net iets te stevige greep voor zijn leeftijd, loopt door naar zijn auto en rijdt weg. Hij wordt hier te oud voor.

Een hotelkamer in Vung Tau, 29 juli 2026

Het IVF-artikel is de deur uit en ik reflecteer over de staat van de kunstsector in Nederland. Ik weet allang niet meer hoe ik die gedachtenkronkel heb genomen, maar een aantal scherpe vragen blijven in mijn gedachten overheersen. Wat is goede kunst eigenlijk? Ik hoor twee verschillende zaken, die elkaar tegen lijken te spreken. Nou ja, paradoxen zijn de bijpassende stijlfiguur als we het over kunst hebben, maar toch. Kunst is niet mijn wereld. Natuurlijk geniet ik van een mooi gedicht, wordt mijn hart geraakt door de emotie die gevangen wordt in woorden op papier, of gedragen wordt door de golven van de lucht. Maar de kunstwereld? Daar ben ik een buitenstaander. Maar ja, die twee stellingen blijven door mijn hoofd spoken:

Het maakt niet uit wat je maakt, als je het maar goed maakt.

Het maakt niet uit hoe slecht je het maakt, als je hart er maar in zit.

Beide axioma’s spreken tot de verbeelding. De kunst die we overal om ons heen zien is topsport. Zangers en zangeressen die hun hele hebben en houden afhankelijk gemaakt hebben van hun talenten, musea die de toppunten van de menselijke creativiteit tentoonstellen om een jeugdig publiek te enthousiasmeren, een column in een krant die gelezen en beoordeeld wordt door de meningen van honderdduizenden abonnees.

Dat is de kracht van kunst, dat zijn de paradepaardjes, de modepoppen, maar ook de inspiratoren van de Nederlandse cultuur.

Tegelijk herinner ik me de muur thuis. Een tekening van mijn tweejarige dochtertje, met een punaise bevestigd aan een prikbord zodat we iedere dag aan de ontbijttafel kunnen zien wat zij gemaakt heeft. Ik denk aan mijn zoontje. Vier jaar oud en hij legt de gescheurde handleiding van de duplo aan de kant en komt een kwartier later triomfantelijk roepen: “Kijk, papa, ik heb een politie gemaakt!” Het lijkt in niets op een agent, maar dat zeg je natuurlijk niet.

Dat is het fundament van de kunst. De pure expressiviteit van een kind. Hoe de emoties, de lach en de traan, kunnen worden gevat in alledaagse objecten, activiteiten of gedachten.

Samen vormt dit de synthese van de kunst. In iedere artistieke uiting zitten beide kanten. Ze bewegen zich op het spectrum van expressiviteit – de jeugdige olijkheid – tot aan de zwaarbevochten top van de wereld in hun talenten en competenties. De eerste violist op Broadway, de zwemmer die in een olympisch bad de gouden plak grijpt, de stilist die zijn ontwerp op statiefoto’s gedragen ziet worden…

Zij worden beoordeeld, er wordt over hen gesproken, terwijl zij als de glanzende top van de piramide tot grote hoogte lijken te stijgen. Maar kijken we nauwkeurig, dan zien we dat die glanzende top op een laag met stenen staat, met daaronder nog een laag, en nog één. En nog één. Zo zien we het verschil tussen de visitekaartjes en de fundamenten in actie. Op de meeste plaatjes is de fundering niet eens te zien. We kijken direct naar de top. En we hebben onze mening klaar. Die zien we geuit worden in recensies in de krant, in de bezoekerscijfers van festivals, in de prijzenpot van een wereldkampioenschap.

De economie achter de kunst

De kunst valt grofweg op te delen in expressieve en professionele kunst. Dat zijn geen elkaar uitsluitende begrippen. Kijk maar eens naar de olympische finale van het kunstschaatsen. Expressie en professionalisme gaan daar hand in hand. Tegelijk heb je uitschieters de andere kant op, zoals mijn dochtertje dat zo hard met de stift op het papier drukt dat het scheurt, en de stift onbruikbaar is geworden. Het product noemen we als ouders kunst, maar verder…

Zo zie je dat de platgeslagen oneliner aan het begin precies het verschil duidt tussen deze twee typen kunst. Aan de ene kant de expressie, waar kwaliteit niet uitmaakt omdat we oog in oog staan met de rauwe mens. Aan de andere kant de topsport. Het verlangen om te gaan tot wereldniveau. Maar trekken we dit de praktijk in dan is het nooit zo zwart-wit.

Laat ik dit eens op mijzelf betrekken. Als amateuressayist speel ik met taal. Ik hoef me nergens aan te committeren. Ik speel met de nuances van zinslengte en de emotionele impact van individuele woorden om een boodschap die ik in mijn hoofd heb, te kunnen uiten.

Dit is een voorbeeld van expressieve kunst. Echter, zodra ik een tekst deel, of het nu een meditatie, een artikel voor de Journal, een ingezonden brief in de krant, of een voordracht in de kerk is, dan word ik onbarmhartig en onmiddellijk geconfronteerd met mijn publiek. Sommige zaken deel ik makkelijker, andere deel ik helemaal niet. Een ongezouten mening is mooi als het gaat om expressieve, artistieke vrijheid, maar zodra je iets gaat publiceren valt alle kunstzinnigheid uit de afweging weg. Dan telt ineens de economie. Hoeveel mensen zouden dit willen lezen? Is een uitgever bereid dit te publiceren? Welke toon en politieke kleur verbind ik inherent aan mijn woordkeuze? Deze afwegingen doen niet zozeer afbreuk aan de artistieke vrijheid (je mag alles maken) maar wel aan de expressieve vrijheid (je mag niet alles delen).

Ik vraag me af hoe dat in zijn werk gaat als iemand hier zijn geld mee moet verdienen. Een kunstenaar geniet van zijn eigen expressiviteit, anders wordt hij geen kunstenaar. Maar wat levert hij in om van zijn talent te kunnen leven? Worden bands zich aan hun aanhang verplicht? Hoeveel macht hebben filmhuizen over de artistieke vrijheid van de filmmakers? Hoe gaat de kunstenaar om met de schuivende lijn van artistiek naar doelmatig werk in de reclame-industrie? Hoe houden zelfstandige kunstenaars hun identiteit als zij voor iedere subsidieaanvraag moeten uitleggen hoe zij bijdragen aan het culturele landschap van Nederland?

De leden van de fanfare hebben zich verenigd omdat ze het geweldig vinden om op muzikale wijze wat reuring te brengen aan de binnenstad. Je gaat geen trompet spelen om één keer in je leven op 4 mei de Taptoe op de Dam te blazen. Je ervaart zelf als geen ander de transformerende macht van muziek en wil dat inzetten om de groepen eenzame smartphoneshoppers te evolueren in gezellige binnenstadbezoekers. Maar ja. Daar verdien je niets mee. Het blije winkelpubliek wil ook niet dat de fanfare tot een eliteclubje vervalt van rijke hobbyisten, en dus springt de gemeente financieel bij. In het moeras van ambtelijke verantwoordelijkheid ontstaan er dan toetsingsparameters voor kunstenaars. Het geld moet wel goed besteed worden, we willen niet dat een clubje geld ontvangt en ze daar vervolgens van op vakantie gaan. Dat leidt dan onbedoeld tot de treurige bedoeling van de fanfare die in de stromende regen eenzaam hun tijd volspeelt omdat de gemeente dat voor die datum voorschreef. Het enige publiek is een ambtenaar die half verzopen de muzikanten telt, en controleert of ze wel lang genoeg spelen. Die zit daar zelf ook niet op te wachten, maar het rapport moet einde van de maand naar de Raad.

Het is een utopie om te denken dat de wereld van de expressieve, en zeker de professionele expressieve kunst, volledige vrijheid geeft aan de kunstenaar. Dat is inherent aan het professioneel zijn. Je bestaanszekerheid hangt af van jouw relatie met je publiek. Maar dat geldt net zo bij de amateur-expressieve kunstenaar, van de essayist die zo nu en dan zijn ongezouten mening op papier zet, tot de jonge vrouw die brallend de badkamer op stelten zet. Kunst dekt alles af in dat spectrum. Van badkamer tot Concertgebouw, van arena tot stille verwondering.

De keuzes die hierin gemaakt worden zijn politiek. Allemaal. Politiek is niet behouden aan de volksvertegenwoordigers. Iedereen die een belang heeft bij een artiest, geeft een druk op die artiest. Of dat nu de voorwaarden voor een subsidie zijn, een traktement voor een ontwerpbureau of een ethos dat je jezelf opgelegd hebt. Wanneer je publicatie, concert of tentoonstelling afhangt van je publiek begeef je je in de arena van vraag en aanbod, niet louter die van de menselijke expressie en persoonlijke catharsis.

Zien en gezien worden

Het fundamentele verschil tussen hoe de artiest zijn kunst benadert, en hoe het publiek die kunst consumeert geeft veel schuring en niet zelden onbegrip aan beide kanten. Zangers worden kwaad wanneer hun liedjes gebruikt worden op een manier die ze zelf nooit bedoelden. Het publiek van een kindertheater zal hoogst verontrust naar huis gaan wanneer de cast zich plotseling van zijn hardrockkant laat horen. En er is geen enkele uiting van kunst die zulke felle meningsverschillen oproept als mode.

Van oudsher was klederdracht een erezaak binnen de armoede van een dorp. Vergeet de romantische beelden van een middeleeuws dorp, waar iedereen als Hobbits in een utopische samenleving door het leven gaat. Armoede drong door tot in alle haarvaten van de maatschappij. Door die armoede waren weinig stoffen voorhanden om modieuze kleding te dragen, laat staan de technieken om met wát ze hadden iets revolutionairs te produceren. Klederdracht werd niets meer dan een eenheidsworst. Een product dat iedereen kon maken, omdat je maar één type hoefde aan te leren. Tegelijkertijd voedde men door deze goedkope manier van kledingproductie een eenheidsdenken in het dorp. De stijl werd op natuurlijke wijze anders dan in het buurdorp. Als je daar genoeg aan had, gaf dit precies de houvast die je nodig had en vergat je de eenzaamheid en de realisatie dat je vastzit. In plaats daarvan creëerde je acceptatie en de veiligheid van het groepsgevoel.

Tegenwoordig is klederdracht als expressie een toeristische trekpleister geworden. De enkele gezinnen die de traditionele kleding nog dagelijks dragen krijgen van de buitenwacht al gauw het stempel “ouderwets” en “patriarchaal” te zijn. Op die manier ontwikkelt zich een breder maatschappelijk oordeel over welk type kunst acceptabel is, en welke niet. Mode is daar extreem gevoelig voor, maar dit fenomeen dringt door in iedere kunstvorm waar een interactie tussen artiest en publiek plaatsvindt.

Dat geeft ons ook een griezelige spiegel. Als andere culturen zich uitdrukken op hun manier, hoe gaan wij dan om met de kledingvoorschriften van de islam? Waar eindigt de persoonlijke expressie en waar begint het opleggen van autoriteit aan een ander? Doen alsof de hoofddoek en de nikab slechts de expressie van moslima’s zou zijn doet groot onrecht aan de humanitaire situaties in Afghanistan en Iran. Tegelijk laat de vergelijking met de klederdracht ons zien dat deze keuzes ook eenvoudigweg tekenen van expressie kunnen zijn.

Iedereen onder de douche.

Als we deze gedachtegang doortrekken komen we bij een explosieve vraag. Hoe staat het eigenlijk met de artistieke vrijheid in Nederland? Waar lopen kunstenaars tegenaan door dit spanningsveld van expressie, verwachtingen en oordelen?

Dit verschil natuurlijk gigantisch per sector. Kijken we naar de sociale media, de reels, de selfies, de internetblogs, korte video’s, dan functioneert dat in de basis allemaal prima. Over het algemeen kan iedereen alles zeggen en uiten, hoe oneens we het er soms ook mee zijn. Hoewel er binnen ieder platform natuurlijk kaders zijn, zijn er altijd platforms te vinden die kaders hebben die aansluiten bij jouw wens van kunstuiting. Maar niet iedere kunstuiting leent zich voor het online toneel en dit werkt alleen als de hoeveelheid volgers en likes je niets uitmaakt.

Kijken we naar de podiumkunsten, concerten en festivals, dan wordt het al lastiger. Dit type kunst is sterk verweven met een trouwe achterban. Dat schept een symbiotische band. Dat geeft een ontzaglijke kracht aan de manier waarop de performance arts zich profileren en waar ze hun geld vandaan halen. Ondanks deze zeer grote voordelen van zo’n band is die inherent beperkend voor de vrije expressie, in het bijzonder wanneer die zich ontwikkelt tot buiten de comfortzone van het publiek.

De grootste zorgen zitten bij de kunstvormen die volledig afhankelijk zijn van overheids- of bedrijfssteun. Wanneer iemand bepaalde eisen stelt is er een natuurlijk selectieproces waarbij altijd een bepaald type persoon zich het gemakkelijkst weet te vinden in die voorwaarden. Er is altijd een bepaald type kunst dat op die manier kunstmatig populairder wordt dan andere. Dat is geen discussie van links of rechts, van liberaal of conservatief, maar een kwestie van bureaucratie en financiële afhankelijkheid. De effecten zijn zichtbaar in alle takken van kunst, van de amateursport tot de reclamewereld, van de Nederlandse filmindustrie tot de musea.

De enige vorm van kunst die onbesproken blijft is de zingende vrijheid onder de douche. En hoewel moeders nog wel eens roepen dat het wat zachter mag, blijft dit de puurste vorm. Want zodra je de badkamerdeur opent, word je geconfronteerd met de rauwe werkelijkheid van de sociale bubbel. Je hebt altijd met anderen te maken. Waar we op macroniveau de effecten van de overheid zagen, zijn het precies dezelfde patronen die zich online afspelen, binnen vriendenkringen, zelfs binnen het huishouden. Pure zelfexpressie kan alleen vanuit oneindig egoïsme en isolement. En dat is gewoon niet realistisch. Een mens werkt nu eenmaal niet zo.

Overleving en aanpassingsvermogen

Ten slotte moeten we kort kijken naar wat die druk daadwerkelijk met de kunsten doet. In iedere sector werkt dit anders, en voor iedere kunstvorm heeft dit zijn eigen uitwerking, maar laten we inzoomen op de subsidiepot die verantwoord moet worden in de financiële commissie van het gemeentehuis. Iedere subsidie heeft voorwaarden. En of deze nu voortkomen uit het ondersteunen van de lokale artiest of ondernemer, het tegengaan van historische kansenongelijkheid of het bewust aanprijzen of afkeuren van bepaalde thema’s, naar de politieke wind waait, zij hebben een heel doelbewust gevolg. Precies conform de beleidsnota’s sturen deze voorwaarden namelijk de kunstuiting in plaats van deze louter te faciliteren. Kunst wordt gebruikt als voorbeeldfunctie en zelfs als onderwijsfunctie in de maatschappelijke opvoeding.

Maar zijn we dan niet het zicht op de fundamenten van onze piramide verloren? Is dit niet slechts een bijeffect van de externe druk die kunstenaars iedere dag weer ervaren? Kunstenaars zijn van nature geen pedagogen. Het impliciet of expliciet voortrekken van kunstenaars wier “lesstof” overeenkomt met de voorwaarden van de subsidieverlener heeft historisch precedent, al zal je dat over het algemeen niet vaak horen. Dit is precies hoe propaganda namelijk werkt in een maatschappij. Je kan de term niet leuk vinden, maar als we de klinische definitie bekijken moet dit een dagelijkse spiegel voor ons zijn. Niet uit angst, maar uit bewustzijn. Dat doet ook geen afbreuk aan de kunstenaars die onder deze omstandigheden wél op het toneel verschijnen. Zij zijn helemaal niet bezig met beleidsnota’s. Dit is hun leven.

De manier waarop de overheid dit doet – en het bedrijfsleven doet hier niet voor onder – maakt het professionele, maar niet zelfvoorzienende, deel van kunstwereld tot het braafste jongetje van de klas. Niet door hersenspoeling of dergelijke extremen, maar simpelweg omdat de braafheid financieel gesteund wordt, en de stoute jongetjes en meisjes onder de radar langzaam wegzakken en na een jaartje weer full-time in een callcenter werken. En dat is hoogst ironisch. De kunst is door de eeuwen heen altijd de broedkamer van revolutie en innovatie geweest. De pure expressie zo dicht mogelijk naderen legt de ware menselijke natuur bloot. Het openbaart aan jezelf, en aan iedereen die je ziet, waar je hart ligt, en waar je ziel van overstroomt. Het stilleggen van die innovatieve motor leidt uiteindelijk tot niets meer dan geïnstitutionaliseerde nostalgie.

Dezelfde hotelkamer, inmiddels 30 juli.

De klok heeft middernacht geslagen. In Nederland is het nog gisteren. Ik merk dat de analysekant van mijn brein langzaam de nieuwsgierigheid en de ontdekkingsdrang van mijn brein heeft gekaapt. Ik herinner mij hoe de kunst zo veel mensen troost heeft gegeven. Ik denk aan aantal psalmen. Geschreven wanneer de emotionele nood het hoogste was, roepende vanuit de diepste ravijnen van de ziel, of lovende om de genade die je iedere dag weer mag ervaren.

Zing een nieuw lied, ied’re dag;

en laat ieder het horen,

niet je te bekoren;

dat hij ook zingen mag.

Auteur: Raoul Michels

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *